Geen leges bij afwijken ‘oud’ bestemmingsplan

Auteur: Wouter Haeser  | Categorie: Bestemmingsplan

Een bestemmingsplan moet elke tien jaar opnieuw worden vastgesteld. Als de gemeente dat niet tijdig doet “vervalt de bevoegdheid tot het invorderen van rechten terzake van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan”, zo bepaalt artikel 3.1 lid 4 Wro. Dit wordt de legessanctie genoemd.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 november 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2877) geoordeeld dat:

  1. de legessanctie niet alleen inhoud dat de bevoegdheid tot invordering vervalt, maar ook de bevoegdheid tot het heffen van de betreffende leges vervalt;
  2. de legessanctie niet alleen geldt als de omgevingsvergunning betrekking heeft op bouw- en sloopactiviteiten, maar ook als de omgevingsvergunning betrekking heeft op afwijkend gebruik, en;
  • de legessanctie raakt de gehele leges, ook zal heeft de gemeente in het kader van de behandeling van de aanvraag werkzaamheden van verschillende aard moeten verrichten en verschillende toetsingskaders moeten hanteren. De onderhavige leges worden immers geheven ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag om omgevingsvergunning. Dat moet worden aangemerkt als een dienst die verband houdt met het bestemmingsplan.

Over eerste punt is het oordeel van de Hoge Raad in lijn met het oordeel van het hof. Het hof overwoog in dat kader dat “de ongewenste situatie moet worden vermeden dat niet invorderbare heffingen wordt vastgesteld en gehandhaafd. Ook moet worden vermeden dat als gevolg daarvan de betaling van een niet invorderbare heffing door de betaler niet als onverschuldigd betaald kan worden teruggevorderd.”

De gemeente voerde in cassatie tegen de overweging van het hof aan dat “dit wellicht zou kunnen betekenen dat indien de uitspraak van het Hof juist zou zijn, gemeenten ook aan mensen die wel leges hebben betaald, maar daartegen geen rechtsmiddel hebben aangewend, de betaalde leges onverschuldigd zouden moeten terugbetalen”. Hierover spreekt de Hoge Raad zich niet expliciet uit. Ook de Advocaat-Generaal spreekt zich hierover niet uit: “Het is een bekende en ongetwijfeld interessante problematiek, maar daarop kan niet worden ingegaan in deze fiscale cassatieprocedure welke (slechts) betrekking heeft op de aan deze belanghebbende opgelegde legesnota”. Dit punt staat dus nog open.

Ten slotte nog twee opmerkingen. Allereerst zij erop gewezen dat de gemeenteraad niet steeds een nieuw bestemmingsplan hoeft vast te stellen. Op grond van artikel 3.1 lid 3 Wro kan de raad ook volstaan met het nemen van een (eenvoudig) verlengingsbesluit als hij van oordeel is dat het bestemmingsplan nog in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Ten tweede zij erop gewezen dat er bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel ligt (Wijziging van de Wet ruimtelijke ordening en de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (afschaffing actualiseringsplicht bestemmingsplannen en beheersverordeningen), nr. 34 666) dat bepaalt dat de actualiseringsplicht vervalt voor bestemmingsplannen die elektronisch raadpleegbaar zijn. De behandeling van dat wetsvoorstel heeft vanwege de kabinetsformatie stil gelegen, maar zal ongetwijfeld binnenkort wel weer in behandeling worden genomen. Tot de wet in werking is getreden, geldt de actualiseringsplicht en de daaraan verbonden legessanctie.

Wouter Haeser, BHW advocaten te Rotterdam
T 010-2179330 
haeser@bhwadvocaten.nl

Aantal reacties: 0